EVEN WEER VERPLEEGSTER

Laat in de avond loop ik met mijn moeder door de lange gang naar haar kamer. De meeste mensen zijn al naar bed en wij zijn op weg naar een glaasje wijn.
Op de gang zien we mevrouw Bos schuifelen. In haar dunne nachtponnetje en op blote voeten houdt ze zich stevig vast aan de leuning langs de muur. Mijn moeder vraagt: “Bent u de weg kwijt?” Mevrouw Bos knikt, ze weet niet waar ze heen moet. “Zullen we u terug brengen?” vraag ik en ze slaakt een zucht van opluchting. Weten wij dan waar haar kamer is? Daadkrachtig pakt mijn moeder haar onder de arm en zegt dat zij iemand bij zich heeft die het weet. Terwijl ze het zegt, kijkt ze vragend naar achteren. Ik knik ja, en wijs hen de goede kant uit. Nu lopen we naar de deur verderop die wijd open staat, de twee oude dames voorop en ik erachteraan. Het samenspel tussen mijn moeder en mij is magistraal, met mijn ogen en handen wijs ik haar de weg, en mijn moeder blijft in haar leidende rol. “Och zuster”, zegt mevrouw Bos, “wat ben ik blij dat ik u gevonden heb.” Mijn moeder groeit, de verpleegster die ze ooit werkelijk was, ontvouwt zich.
Op verzoek van mevrouw Bos maak ik de lamp aan. Ze is verbaasd dat er twéé zusters zijn om voor haar te zorgen. Eigenlijk wilde ze haar dochter bellen, maar ze kon de telefoon niet vinden. “Misschien is het beter om uw dochter morgen te bellen,” suggereer ik, “het is al laat.” “Ja,” vervolgt mijn moeder, “misschien moet u maar weer lekker in bed kruipen, want als u zo blijft lopen krijgt u koude voeten.”
Ik draal een beetje bij de deur, maar mijn moeder stapt met mevrouw Bos naar het bed in de hoek van de kamer. Mevrouw Bos steekt haar blote voet uit: “Is die dan nu al koud?” vraagt ze. Mijn moeder voelt aan de voet en zegt dat het tijd is om in bed te kruipen voor de voeten. Met zachte en liefdevolle gebaren helpt ze mevrouw Bos in het bed: eerst laat ze haar op de rand van het bed zitten en dan legt mijn moeder de benen een voor een op het bed, en de rest van mevrouw Bos er achteraan. Ze trekt het dekbed over haar heen en mompelt geruststellende dingen. Dan pakt ze het gezicht van mevrouw Bos met beide handen vast, streelt haar en zegt dat ze nu maar heel lekker moet gaan slapen. Mevrouw Bos glimt. “Dank je wel, zuster”, zegt ze, “dank je wel dat je me weer terug hebt gebracht.” Ik sta het tafereel ontroerd te bekijken: dat is mijn dementerende moeder, deze liefdevolle en aardige competente verpleegster! Ach, wat doet het haar goed, om zo voor iemand iets te kunnen doen… Zonder mijn bijna woordeloze begeleiding zou het haar waarschijnlijk niet gelukt zijn, want eigen initiatieven nemen kan ze niet meer goed. Als we mevrouw Bos nog een keer goede nacht gewenst hebben, lopen wij tevreden naar de kamer van mijn moeder. Even nog blijft ze de verpleegster uit haar jonge jaren: “Zo heb ik ‘s avonds nog allerhand te doen hier op die lange gangen…” Het is de eerste keer dat ze positief spreekt over die gangen en al die mensen.

Gepubliceerd in: Zorgbelang, Gezond lijfblad voor alle Limburgers, nummer 6, 2010